Nekarea

Er zijn foto's van de finaledagen 2024 te bekijken!
Klik hier voor het album van donderdag 30 mei Deel I en Deel II, of vrijdag 31 mei Deel I, Deel II, Deel III, Deel IV, Deel V, Deel VI en randanimatie.

Wedstrijdreglement

1. Het speelveld en belijning

Speelveld

1.1. Afmetingen van het speelveld

  • Lengte : minimaal 8,50 m. - maximaal 10,00 m.
  • Breedte : minimaal 6,50 m. - maximaal 7,50 m.

De vrije hoogte boven het ganse terrein bedraagt minimaal 3,80 m. (Als niet bindende richtlijn wordt een vrij ruimte van 1,5 m. rondom het ganse terrein aanbevolen.)

1.2. Belijning

Het speelveld wordt begrensd door lijnen van ± 5 cm. breedte, binnen het speelveld. Dit houdt in dat de uiterste begrenzing wordt gevormd door de buitenkanten van de zijlijnen. De terreinbegrenzing, de middellijn, de zonelijnen en de begrenzing van de opwerpplaats worden getrokken in dezelfde kleur en breedte.

Indien de belijning niet blijvend op de ondergrond werd aangebracht gebeurt dit bij voorkeur met gekleurde zelfklevende tape. In elk geval dienen ongelukken door slecht aangebrachte belijning vermeden te worden.

1.2.1. De middellijn

Het terrein wordt onder het net in twee gelijke speelhelften verdeeld door de middellijn.

1.2.2. De zonelijnen

Elke speelhelft wordt in zes gelijke vlakken verdeeld door drie zonelijnen:

  • een zonelijn wordt evenwijdig getrokken aan de middellijn en verdeelt de speelhelft in twee gelijke delen in de lengte;
  • twee zonelijnen worden evenwijdig getrokken aan de zijlijn en verdelen de speelhelft in drie gelijke delen in de breedte.
1.2.3. De opwerpplaats

De opwerpplaats wordt begrensd door twee lijnen van 80 cm. lengte, loodrecht op de achterlijn. Het eerste ligt in het verlengde van de rechter zijlijn, het tweede op één derde van de terreinbreedte links ervan. De opwerpplaats heeft een minimale diepte van 80 cm.

2. Het net

2.1. Afmetingen

Het net heeft een breedte van 1 m. en de lengte is minimaal 1 m. breder dan de breedte van het speelveld. De mazen hebben zijden van 10 cm.

2.2. De hoogte

De hoogte bedraagt 2,30 m. in het midden van het speelveld. Naar de zijkanten wordt toe wordt een maximale verhoging van 5 cm. toegelaten ter hoogte van het snijpunt met de zijlijnen.

2.3. Aanduiding van de buitenrand

Aan beide zijden van het net wordt een verschuifbare, 5 cm. brede band van witte stof aangebracht, loodrecht op het snijpunt van de zijlijnen met de middellijn. Deze banden worden beschouwd als deel uitmakende van het terrein. De buitenzijde van de band vormt dus de buitenrand van het terrein.

Eventueel aangebrachte antennes worden beschouwd als deel uitmakend van het net. Zij bevinden zich in het verlengde van de buitenrand van de witte band en begrenzen de doorgang in de breedte.

3. De bal

De bal moet rond zijn, van soepel leder.

De bal is in doorsnede, gewicht en druk gelijk aan een reglementaire volleybal.

4. De ploegen

4.1. Uitrusting van de spelers

De spelers moeten aan de sport aangepaste kledij en schoeisel dragen, tenzij ten gevolge van hun handicap ander schoeisel of kledij aangewezen is.

De spelers van éénzelfde ploeg dienen bij voorkeur in een éénvormige uitrusting aan te treden.

De spelers mogen geen voorwerpen dragen die tijdens het spel verwondingen kunnen veroorzaken zoals armbanden, halskettingen, ringen, ...

4.2. Samenstelling van de ploegen

Een volledige ploeg, wisselspelers incluis, bestaat maximaal uit 10 spelers.

Het aantal effectieve veldspelers per ploeg bedraagt 6. De ploegen mogen m.b.t. geslacht gemengd samengesteld worden.

4.3. Vervanging en vervangers

De wisseling van spelers vindt plaats gedurende de spelonderbrekingen op verzoek van de coach aan de eerste scheidsrechter.

Er kan op twee manieren gewisseld worden:

  1. De bankzitters roteren gewoon mee in de logische rotatievolgorde.

    In dit geval verhuist een speler van vak 6 naar de bank terwijl een bankzitter invalt op vak 1 en de rest van de bankzitters opschuiven op de bank.
    Deze logische rotatievolgorde mag in de loop van een set enkel onderbroken worden in geval van kwetsuur.

  2. De bankzitters fungeren echt als invallers.

    Een speler die de set start op het terrein en in de loop van de set bankzitter wordt mag daarna nogmaals het terrein betreden, maar kan gedurende deze set niet meer gewisseld worden.
    Een speler die de set start als bankzitter en in de loop van de set als veldspeler wordt opgesteld, kan vervolgens nog éénmaal gewisseld worden en mag gedurende deze set het veld niet meer betreden.

Een wisselspeler neemt steeds de plaats in van de speler in wiens plaats hij het veld betreedt. De logische rotatievolgorde mag dus niet via een wissel verbroken worden.

Een ploeg mag per set ten hoogste 6 wissels doorvoeren. Indien een speler gekwetst wordt wanneer deze 6 wissels reeds zijn doorgevoerd, mag een zevende wissel worden doorgevoerd rekening houdend met het gegeven dat éénzelfde speler slechts tweemaal van situatie kan veranderen (bank-veld-bank of veld-bank-veld).

4.4. Opstelling van de spelers en wisseling

4.4.1. Opstelling van de spelers

Bij de opworp moeten de spelers van beide ploegen in het vak staan dat hen door logische rotatievolgorde wordt opgelegd.
Deze volgorde dient dezelfde te blijven gedurende de ganse set. Enkel bij het begin van een nieuwe set kan deze gewijzigd worden.

Zodra de opworp gegeven werd mogen de spelers zich vrij verplaatsen over hun speelhelft.

4.4.2. Rotatie van de spelers

Indien de niet serverende ploeg de spelfase wint of indien hun tegenspelers een fout begaan, mag zij serveren en moet deze ploeg roteren door haar spelers 1 plaats op te schuiven in wijzerzin.

5. De coach

Een ploeg wordt bijgestaan door één coach. Alleen hij mag zijn ploeg bijstaan vanuit de "vrije ruimte" rondom het speelveld.

De coach is verantwoordelijk voor het gedrag van zijn spelers. In deze hoedanigheid wendt de scheidsrechter zich ook tot hem bij eventuele terechtwijzing van één der spelers.

De coach heeft het recht een spelonderbreking te vragen of een spelerswissel door te voeren. Hiervoor wendt hij zich tot de eerste scheidsrechter.

De coach mag zijn spelers gedurende het spel aanmoedigen en richtlijnen geven, rekening houdend met de algemeen geldende regels van sportiviteit.
Hij mag het speelveld betreden wanneer de bal "dood" is, in zoverre de scheidsrechter dit niet hinderlijk vindt voor het spelverloop en/of de tegenpartij.

6. De scheidsrechter

De wedstrijd wordt geleid door één of twee scheidsrechters.
De belangrijkheid van de aanwezigheid van een tweede scheidsrechter hangt in grote mate af van de snelheid en het speltechnisch niveau waarop een wedstrijd wordt gespeeld. Als regel wordt gesteld dat elke wedstrijd tijdens de kompetitiefinale door twee scheidsrechters wordt geleid.
De scheidsrechters verklaren hun beslissingen indien nodig steeds via de coach.

6.1. De eerste scheidsrechter

De eerste scheidsrechter leidt het spel en op zijn beslissingen is geen beroep mogelijk.

Hij staat boven de andere officials en kan als dusdanig de beslissingen van andere officials ongeldig verklaren indien hij van oordeel is dat deze zich vergist hebben. Bij eventuele discussie tussen hem en één der andere officials brengt hij het uiteindelijk besluit naar voor.

De eerste scheidsrechter fluit telkens wanneer hij dit nodig acht en zeker voor elke opworp en na elke fout.

De eerste scheidsrechter kan aan een ploeg een "time-out" toekennen/opleggen of indien deze ploeg reeds 2 "time-outs" heeft gebruikt, een extra "time-out" toekennen/opleggen indien hij dit nodig acht.

Tijdens de kompetitie dient de thuis spelende ploeg de eerste scheidsrechter te voorzien.

6.2. De tweede scheidsrechter

De tweede scheidsrechter stelt zich op aan de andere zijde van het terrein, tegenover de eerste scheidsrechter.

Hij assisteert de eerste scheidsrechter bij volgende punten:

  • de puntentelling
  • overschrijden van de zijlijn door de bal aan zijn terreinzijde
  • overschrijden door een speler van de middellijn
  • netfouten
  • hij geeft toestemming voor spelerswissels
  • hij controleert de opstelling van beide ploegen bij de opworp

7. Spelduur - keuze van speelhelft

7.1. Aantal sets

Alle wedstrijden worden gespeeld naar twee gewonnen sets (dus maximum 3 sets).
De eventuele derde set wordt verder "beslissende set" genoemd.

7.2. Setduur

Elke set wordt gespeeld naar 25 punten. Een set wordt gewonnen door de ploeg die het eerst 25 punten behaalt. Het puntenverschil moet evenwel minstens twee punten bedragen.

Tijdens de kompetitie dient rekening gehouden met een maximale spelduur van 1,5 uur. Het aanvangsuur van de wedstrijd dient in onderling overleg tussen de ploegen bepaald te worden.
Indien een ploeg door omstandigheden (busvervoer e.d.) geen wedstrijd van 1,5 uur kan uitspelen, verliest de ploeg die in gebreke bleef de niet uitgespeelde set met forfaitcijfers.
Indien een wedstrijd niet binnen 1,5 uur kan uitgespeeld worden, kan in onderling overleg tussen de ploegen de wedstrijd voortgezet worden of op een andere datum de niet uitgespeelde set herspeeld worden.

7.3. Keuze van de speelhelft

De aanvoerders van de beide ploegen tossen om de keuze van de speelhelft of de opworp. De winnaar kiest of de speelhelft of de opworp. Als de winaar de opworp kiest, dan mag de andere partij de speelhelft kiezen; kiest de winnaar de speelhelft, dan krijgt de andere partij de eerste opworp.

Voor de aanvang van de beslissende set laat de scheidsrechter opnieuw tossen voor de keuze van speelhelft of de eerste opworp.

7.4. Wisseling van speelhelft

Na elke set, behalve voor de beslissende set.

Als twee ploegen ieder 1 set gewonnen hebben en een ploeg in de beslissende set 10 punten heeft gescoord, wisselen beide ploegen van speelhelft. De onderling posities van de spelers van beide ploegen moet hierbij dezelfde blijven.
De ploeg die op het moment van het wisselen de opworp had, blijft deze behouden.

8. Spelonderbrekingen

Time-out: een time-out kan toegekend worden door één van beide scheidsrechter, doch enkel wanneer de bal "dood" is.

Elke ploeg heeft recht op twee time-outs per set. Deze worden door de coach aangevraagd aan één der scheidsrechters.

De duur van een time-out bedraagt maximaal 30seconden.

De eerste scheidsrechter kan aan een ploeg een time-out opleggen of, indien deze ploeg de twee reglementaire time-outs reeds heeft opgebruikt, een extra time-out toekennen wanneer hij van mening is dat een verder normaal spelverloop niet meer kan gewaarborgd worden.

Spelerswissel: in geval van een spelerswissel zal het spel onmiddellijk na de spelerswissel worden hervat.

Tussen de sets: tussen de sets wordt een spelonderbreking van 5 minuten voorzien.

9. De opworp

9.1. De opworp

De bal mag in het spel gebracht worden na een fluitsignaal van de scheidsrechter.

Bij de opworp werpt de rechter achterspeler, de serveerder genoemd, de bal met beide handen vanop de opwerpplaats over het net in het speelveld van de tegenstander.
De opworp wordt als goed beschouwd als de bal over het net is gegaan zonder het te raken en bovendien tussen het verlengde van de witte verticale netbanden gaat.
Zodra de bal weggeworpen is mag de serveerder op of over de achterlijn komen.

Bij de opworp moeten de spelers van beide ploegen in hun eigen speelvak staan. Zij mogen dit pas verlaten als de bal vertrokken is.

9.2. Fouten bij de opworp

De opworp is fout wanneer:

  • de serveerder niet vanaf de opwerpplaats serveert
  • de bal niet met beide handen geworpen wordt
  • de serveerder, bij de opworp, de voet op of over de achterlijn plaatst vooraleer de bal werd weggeworpen
  • de opwerpvolgorde niet wordt nageleefd (punten gescoord door een verkeerde serveerder worden als niet gescoord beschouwd)
  • de bal het net raakt of eronder door gaat
  • de bal een speler van de serverende ploeg of een vreemd voorwerp raakt
  • de bal buiten de grenslijnen op de grond valt zonder dat iemand van de tegenpartij de bal raakte.

Indien de serveerder de bal werpt vooraleer de scheidsrechter hiervoor een fluitsignaal heeft gegeven, krijgt de speler hiervoor een vermaning en moet hij de opworp overdoen. Indien dit zich een tweede maal voordoet tijdens dezelfde wedstrijd wordt de opworp als foutief beschouwd.

9.3. Wisseling van de opworp

Elke speler blijft serveren tot zijn ploeg een fout maakt die door de scheidsrechter wordt bestraft. De tegenstrever bekomt dan de opworp.

9.4. Opworp bij nieuwe set

Elke nieuwe set wordt begonnen door de ploeg die in de vorige set niet als eerste serveerde, behalve voor de beslissende set.

9.5. Screen

Op het ogenblik van de opworp mogen de spelers van de serverende ploeg geen armbewegingen of sprongen maken of groepjes van 2 of meer spelers vormen die tot doel hebben een scherm te vormen dat de opworp moet maskeren.

10. Het spelen van de bal

10.1. Het vangen van de bal

De bal moet gevangen worden met de handen. Elk lichaamsdeel, behalve de voeten, mag echter als hulpmiddel gebruikt worden.

10.2. Het werpen van de bal

De bal moet geworpen worden met beide handen.
Het werpen van de bal met beide handen is de enige toegestane aanvallende handeling. Alhoewel de bal in verdediging mag geworpen worden met behulp van bv. hoofd, romp of benen, mogen deze middelen niet gebruikt worden om de bal terug over het net te spelen.

Wanneer de bal echter onvrijwillig toch op een andere manier over het net wordt gespeeld wordt dit niet als fout beschouwd.

Een achterspeler mag de bal niet over het net spelen.

10.3. Passeren van de bal

Elke ploeg mag de bal ten hoogste met drie opeenvolgende spelers raken, alvorens de bal over het net te spelen. (Het is dus wél toegestaan naar een achterspeler te passeren indien deze als tweede speler de bal raakt!)

Uitzondering:
- De 4e, 5e, ... speler die de bal raakt is pas de eerste die bal onder controle heeft.
In dit geval wordt deze speler als hebbende de bal voor de derde maal geraakt en is hij dus verplicht de bal over het net te spelen.
Indien deze speler een achterspeler is dan mag deze nog een laatste maal passeren naar één der aanvallers die de bal dan over het net moet spelen.

Eénzelfde speler mag de bal verschillende malen achter elkaar raken op voorwaarde dat deze speler de bal niet onder controle had. Eenmaal de bal volledig onder controle is deze speler verplicht om ofwel te passeren of om de bal over het net te werpen.

Wanneer 2 of meer spelers van dezelfde ploeg de bal gelijktijdig aanraken, wordt dit gerekend als 2 of meer keer raken. Enkel het blok vormt hierop een uitzondering.

Het is toegestaan om bij het spelen van de bal een medespeler aan te raken, doch deze mag hierbij niet tot steun dienen.

10.4. Loopfout

De speler die de bal volledig onder controle heeft, mag geen enkele stap meer doen om dichter bij het net of medespeler te komen. Alleen 1 stap en sprongafzet zijn toegelaten.
Een speler die in stilstaande houding de bal ontvangt mag pivoteren, door één der voeten als steunpunt te gebruiken.

Het lopen met de bal wordt als "loopfout" bestempeld.

Wordt de bal over het net geworpen dan dienen steeds de richtlijnen gevolgd te worden zoals ze onder punt 10.5. "De smash" worden aangegeven.

10.5. De smash

De smash is de enige aanvallende handeling waarbij men zich met de bal mag verplaatsen. Er wordt namelijk een afzetpas toegestaan.

Een geldige smash kan dus op volgende wijzen uitgevoerd worden:

  • een sprong vanuit stilstand gevolgd door de worp
  • meerdere sprongen zonder verplaatsing gevolgd door de worp
  • een pas met een voet, een bijzetpas met de andere voet gevolgd door een afstoot met de worp.
  • een sprong voorwaarts met beide voeten samen gevolgd door een afstoot met de worp.

Elke verplaatsing anders dan hierboven beschreven wordt als loopfout beschouwd.

Het verschillende malen na elkaar springen zonder een voortschrijdende beweging te maken, wordt niet als "loopfout" beschouwd.

Wanneer de bal wordt aangenomen terwijl men met de rug naar het net staat gekeerd, wordt bij een smash dezelfde richtlijn gevolgd als hierboven aangegeven. Worden meer stappen gedaan om te draaien, dan wordt dit als loopfout beschouwd.

10.6. Het blok

Blokkeren is een handeling die dient om de bal van de tegenstrever bij het net tegen te houden. Enkel de voorspelers mogen aan het blok deelnemen. Iedere speler wordt beschouwd aan het blok deel te nemen als hij met een deel van het lichaam boven de netrand uitreikt.

Het blok is de enige handeling die toelaat dat de bal op een andere manier over het net wordt gespeeld dan werpend met beide handen.

Wanneer de bal door het blok terug in het aanvallende kamp belandt, mag de aanvallende partij de bal terug 3 maal spelen.

Wanneer de bal meer dan 1 speler die aan het blok deelneemt raakt, telt dit als éénmaal raken, zelfs als deze aanraking niet gelijktijdig gebeurde.

11. Het net tijdens het spel

11.1. Netfout

Wanneer een speler tijdens het spel het net raakt met een lichaamsdeel wordt dit beschouwd als een "netfout" en bekomt de tegenstrever de opworp.

Wanneer de bal met zo'n kracht in het net wordt geworpen dat het net een tegenstander raakt, zal dit contact niet als netfout beschouwd worden.

Wanneer twee tegenstanders gelijktijdig het net aanraken, wordt dit als een "dubbelfout" beschouwd.

Een bal die tijdens het spel in het net geworpen wordt en terug in het eigen kamp belandt, mag opnieuw gespeeld worden door éénzelfde of een andere speler. De speler die de bal dan opvangt uit het net, wordt beschouwd als tweede speler die de bal speelt, ongeacht of hij dezelfde of een andere speler is.
Deze regel geldt enkel bij een onvrijwillige worp in het net. Het is niet toegestaan dat een speler zichzelf via het net een "pas" geeft om het net dichter te benaderen.

Een bal die het net raakt tussen de zijbanden en daarna het net overschrijdt wordt als goed beschouwd. Uitzondering hierop vormt de opworp. Bij de opworp mag de bal het net niet raken.

12. Het overschrijden van de middellijn

Het aanraken van het speelveld van de tegenpartij met gelijk welk lichaamsdeel wordt bestraft met een fout. Het speelveld van de tegenpartij met één of beide voeten aanraken wordt niet als fout beschouwd wanneer een gedeelte van beide voeten in contact blijft met de middellijn. Om als "voetfout" te worden beschouwd moet dus minstens één voet de middellijn volledig overschreden hebben.

Het overschrijden van het verticale vlak onder het net wordt niet als fout beschouwd wanneer de speler noch het speelveld van de tegenpartij, noch een tegenstander raakt. Om een lage bal bij het net te vangen mag een speler dus met de handen onder het net reiken, op voorwaarde dat hij geen speler van de tegenpartij hindert.

Noch bij het blok, noch bij de smash mag de netrand overschreden worden door één of beide handen of door een gedeelte van één of beide handen.

13. De dubbelfout

Als twee tegenstanders gelijktijdig een fout maken, wordt dit beschouwd als een dubbelfout en moet de bal worden overgespeeld.
Gebeuren de fouten niet gelijktijdig, dan wordt enkel de eerste als fout aangerekend.

14. Het uitgaan van de bal

De bal is "out" wanneer hij de grond of een voorwerp buiten de grenslijnen raakt. De bal is eveneens "out" wanneer hij de zoldering raakt. De bal die een zij- of achterlijn raakt is goed.

Een bal die het net volledig buiten de zijbanden of de antennes raakt is "out".
Een bal die het net op de zijbanden raakt is nog goed.

De spelfase eindigt slechts wanneer de scheidsrechter een fluitsignaal geeft. De bal is dan "dood".

15. Puntentelling

15.1 Begaat een ploeg een fout dan wordt dit bestraft met een punt voor de tegenpartij, ongeacht welke ploeg de opworp had.

15.2 Een set wordt gewonnen door de ploeg die het eerst 25 punten behaalt. Het puntenverschil moet evenwel minstens twee punten bedragen.

15.3 Onder 'forfaitcijfers' wordt verstaan: verlies met 25-0 van elke set waarop het forfait van toepassing is.

16. Reglement recreacompetitie

Alle regels van boventaand reglement zijn integraal van toepassing voor de recreacompetitie met uitzondering van:

16.1. De opwerpplaats

De opworp wordt verplicht genomen vanop het rechter-achter speelvak.

16.2. Het over het net spelen van de bal

De bal die over het net gespeeld wordt moet steeds vertrekken met een opwaartse curve.